Gerard Kempen's Website

De zwoele groei van de zinsbouw

De wonderlijke levende grammatica

van

Jac. van Ginneken

uit

De Roman van een Kleuter (1917)


Toverlantaarnvoorstelling

door

Gerard Kempen & Willem-Albert Wagenaar

(1995)

Nederlandse versie

PDF (7 MB)

Powerpoint (7 MB)

Keynote (27 MB

Voorwoord bij deze uitgave op internet  


Jac. van Ginneken (1877-1945) was een internationaal bekend taalgeleerde die in de Nederlandse linguïstische wereld een zeer opvallende positie innam. Hij was hoogleraar aan de Nijmeegse universiteit, lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, en maakte deel uit van de Signifische Kring. Tot zijn favoriete studie-onderwerpen behoorde het onderwijs in de moedertaal, met name zinsontleding. In 1917 schreef hij een zeer origineel taalboek voor het middelbaar onderwijs en de lerarenopleiding, getiteld De Roman van een Kleuter. Hierin beschrijft hij onder meer de taalontwikkeling van Keesje, met nadruk op de groei van diens zinsbouw. In dat kader heeft hij een verrassende manier bedacht om de grammaticale structuur van zinnen in beeld te brengen. Woorden, woordgroepen en zinsdelen krijgen de gedaante van kinderen en dieren die samen een soort levende piramides vormen. In de illustraties, van de hand van zijn oud-student Herman Haeck, corresponderen de onderscheiden grammaticale relaties met de verschillende manieren waarop de figuranten elkaar vasthouden en ondersteunen.


In deze uitgave staan 26 piramides uit De Roman afgedrukt. Ze zijn door middel van een authentieke toverlantaarn vertoond tijdens een symposium dat aan de Nijmeegse universiteit werd gehouden op 20 oktober 1995 ter herdenking van de 50ste sterfdag van Van Ginneken. Willem-Albert Wagenaar (hoogleraar aan de Universiteit Leiden) heeft de zwart-witte plaatjes uit De Roman van omlijsting en kleur voorzien. Gerard Kempen heeft uit de lopende tekst van het boek de belangrijkste passages geselecteerd waarin Van Ginneken de tekeningen verklaart. Te zamen geven deze passages een goede indruk van dit unieke en curieuze grammaticale systeem. Omwille van leesbaarheid en samenhang zijn de teksten enigszins aangepast en in de moderne spelling omgezet.



Toelichting door Gerard Kempen (1995)


Wie als geleerde eeuwige roem nastreeft, kan kiezen uit twee beproefde methoden: geschriften vervaardigen van sublieme wetenschappelijke kwaliteit, of grossieren in buitengemeen buitenissig gedrag. Jacques van Ginneken lijkt het in een combinatie van beide te zoeken. De taalkundige en psychologische ideeën die hij tussen zijn dertigste en veertigste aan het papier toevertrouwt, verdienen meer aandacht van (psycho)linguïsten dan zij tot nu toe hebben ondervonden. Ik doel hier op zijn hoog-geprezen proefschrift dat in 1907 verscheen in het Frans, de internationale voertaal van de toenmalige taalwetenschap, en op De Roman van een Kleuter uit 1917, ongetwijfeld het meest originele taalboek voor het middelbaar onderwijs dat ooit in het Nederlands is gepubliceerd. Het buitenissige betreft het barokke, op plaatsen geëxalteerde en bombastische taalgebruik waarin hij zijn ideeën verpakt. Zolang hij aan zijn dissertatie werkt, wordt hij kennelijk nog in toom gehouden door zijn promotor, de Leidse hoogleraar C.C. Uhlenbeck. Maar nadat hem eenmaal de vrije teugel gelaten is, kan zijn enthousiasme hem gemakkelijk verleiden tot een dermate gekunstelde en gezwollen schrijfstijl dat het zicht op de inhoud van het geschrevene vertroebeld dreigt te raken. Althans, zo vergaat het mij af en toe.


Extremer nog dan De Roman getuigt hiervan een pamfletachtig boekje met een veelzeggende titel: Als ons moedertaalonderwijs nog ooit gezond wil worden. Een hartig woord aan hen die belang stellen in de toekomst van het Nederlandsche volk (eveneens in 1917 verschenen). Dit geschrift verschaft niettemin nuttige achtergrond-informatie. Zo blijkt op pagina 29 "dat een vader, doctor in de letteren, en een moeder, doctoranda in de letteren, met een éénig kind, op het idee kwamen, de taal van hun Keesje van den beginne af zorgvuldig in een dagboek neer te leggen" en dit "materiaal ter bewerking en publicatie afstonden". Uit een college over taalontwikkeling dat ik rond 1965 in Nijmegen heb gelopen bij Professor Calon, heb ik onthouden dat Keesjes moeder een zus was van Van Ginneken. Als dit waar is, heeft Keesje oom moeten zeggen tegen Van Ginneken, of eigenlijk heeroom -- Van Ginneken was immers pater jezuïet. Niet onwaarschijnlijk is het evenwel dat Keesjes roman berust op dagboekaantekeningen over de taal van meerdere verschillende kleuters die tot één persoon zijn verdicht.


Over het ontstaan van zijn visuele grammatica laat Van Ginneken weinig los. In De Roman blijft het bij een vermelding van Herman Haeck als tekenaar. Wel is aan hem is de hele laatste alinea van Als ons moedertaalonderwijs ... gewijd: "Mijn oud-leerling Herman Haeck dank ik ten slotte heel bijzonder: voor zijn sympathieke toewijding. De illustraties [...] brachten het natuurlijk mee, dat ik voor alle plaatjes de symbo-lische groepering tot in fijne onderdelen moest concipiëren; en aanvankelijk meende ik dan ook, dat ik hem niets anders dan een slaafse uitvoering mijner plannetjes kon vragen. Maar ik had buiten de geest van mijn Turnhoutse waard gerekend. Ik kreeg alles wat ik vroeg, maar daarenboven een speelse variatie in de keuze der figuren, een elegantie van vormen en costumering, en ten slotte, wat ik meer dan al het andere waardeer, op de koop toe nog: zijn eigen tintelend vrolijke kijk op het leven, die nu als een zonnetje heel mijn blije boekjes bestraalt. Mogen ze geluk brengen in de jonge harten. Ze zijn geschreven en geïllustreerd door mannen die ook naar buiten menen te mogen laten merken dat ze, trots alle droeve levenservaring, in het diepst van hun hart hier op aarde reeds gelukkige mensen zijn." (p. 74).


Dan kom ik nu toe aan de belangrijkste vraag: waarom deze speciale aandacht voor Van Ginnekens visuele grammatica en zijn taalpsychologische bespiegelingen daarbij? Ten eerste, het gaat om een volstrekt unieke manier om zinsstructuren op aanschouw-elijke wijze weer te geven met het oog op verlevendiging van het onderwijs in zins-ontleding en verdieping van het inzicht van de leerling. Voor zover ik heb kunnen nagaan, is dit een origineel idee van Van Ginneken, bedacht in een tijd dat visuele weergaven van syntactische structuren hooguit in rudimentaire vorm bestonden en nergens systematisch werden gebruikt. De Duitse psycholoog Wilhelm Wundt bedient zich in zijn monumentale werk Die Sprache (1900) van horizontaal geplaatste accolades om aan te geven hoe grotere woordgroepen opgebouwd zijn uit kleinere (hun "constituenten"). Hieruit komen de inmiddels overbekende syntactische bomen voort die vooral in Angelsaksische landen in zwang zijn geraakt.


Van Ginnekens levende piramides verbeelden niet zozeer de opbouw van een zin uit woordgroepen als wel de syntactische afhankelijkheden tussen afzonderlijke woorden (bijvoorbeeld dat het lijdend voorwerp afhangt van het werkwoord; dat de vorm van een bijvoeglijk naamwoord bepaald wordt door geslacht en getal van het zelfstandige naamwoord waar het bij hoort; dat een voorzetsel een bepaalde naamval "regeert", enzovoort). Ze zijn eerder verwant met wat nu "afhankelijkheidsgrammatica" heet dan met "constituentengrammatica". Ten tweede verstaat Van Ginneken onder 'zinsbouw' niet de (passieve) structuur van een gegeven zin, maar een actief, dyna-misch proces dat zich in het cognitieve systeem van de taalgebruiker (in zijn woor-den: "in het bewustzijn") afspeelt tijdens het spreken.


Dit zinsbouwproces is pas de laatste jaren een belangrijk voorwerp van psycho-linguïstische studie geworden. In vele laboratoria wordt momenteel experimenteel en theoretisch onderzocht hoe sprekers hun zinnen construeren, en hoe luisteraars ze reconstrueren. Als uitgangspunt hierbij geldt veelal de opvatting dat woorden en woordgroepen actief op zoek gaan naar partners om zich aan vast te hechten en zich aldus samenvoegen tot grotere formaties. Over de details van dit proces is evenwel weinig met zekerheid bekend.


Mag om deze twee redenen Van Ginneken een oorspronkelijk onderzoeker heten die in bepaalde opzichten zijn tijd vooruit is, in andere opzichten is hij duidelijk een kind van zijn tijd. Zo maakt hij geen systematisch onderscheid tussen tussen de vorm van een zin en zijn betekenis. De verbindingen die de bewustzijnsvoorstellingen in een piramide onderling aangaan, maken niet alleen de betekenis van de zin uit maar ook diens vorm. Heden ten dage geeft men de betekenis van zinnen in semantische structuren weer, ook wel logische of conceptuele structuren genaamd. Deze zijn uit heel andere elementen samengesteld dan syntactische structuren, en kunnen heel andere vormen aannemen. (Overigens doen de figuren geen recht aan de woordvolgorde binnen de zin. Dit vormaspect laat Van Ginneken buiten beschouwing, enkele opmerkingen over de inklampende woordschikking daargelaten -- zie bij-voorbeeld de tekst bij de drie laatste figuren.)


Ook verklaart hij "de zwoele groei van de zinsbouw" (p. 254 in De Roman) uit het groter worden van het bewustzijnsvenster. Wij weten dat de betekenisinhouden die kleuters proberen uit te drukken, vaak veel complexer zijn dan de zinnen die ze formuleren. Hun "bewustzijnsvenster" is kennelijk helemaal niet zo klein. En de derde fout, geen zeldzaamheid in de toenmalige bewustzijnspsychologie: Van Ginneken onderkent niet dat hij, door Keesje op te voeren als interpretator van de gebeur-tenissen in zijn bewustzijn, een homunculus binnensmokkelt. Om maar te zwijgen van de talrijke dartele homunculi die hij laat ravotten op het speelplaatsje van Keesjes bewustzijn ...


Ten slotte, hoe is het de levende grammatica na 1917 vergaan? Het antwoord kan kort zijn: slecht. Van Ginneken komt er bij mijn weten in geen enkel ander geschrift op terug, en geen enkele taalwetenschapper borduurt erop voort. Ook Calon rept er vijftig jaar later in zijn college niet over. Ik heb ze pas opgemerkt nadat ik in 1978 of daaromtrent een exemplaar van de De Roman antiquarisch op de kop had getikt. De visuele grammatica van Jacques van Ginneken is evenwel curieus genoeg, en de levende piramides getekend door Herman Haeck hebben voldoende nostalgische waarde, ter rechtvaardiging van deze poging ze aan volstrekte vergetelheid te ontrukken.



                                                                                                                      Oegstgeest, 7 november 1995     

                                                                                                                      Prof.Dr. G.A.M. Kempen    


Addendum (d.d. 8 mei 2008)

De identiteit van Keesje is in 1996 ontdekt door Prof. Dr. Hans Hulshof. Achter Keesje gaat Jan de Josselin de Jong (1913-1986) uit Voorschoten schuil. Zijn ouders boekstaafden de taalontwikkeling van hun zoontje nauwkeurig in een aantal schriften. Deze zijn door Dr. Ewald Vervaet aangetroffen bij de weduwe De Josselin de Jong.

 Literatuur

Hulshof H. (2015), Hoe Jantje Keesje werd: over Van Ginneken en zijn bron. In Lestrade, S., De Swart, P., & Hogeweg, L. (Red.) Addenda. Artikelen voor Ad Foolen. Nijmegen: Radboud Universiteit. [pp. 177-193]

Hulshof, H & Vervaet, E. (2004). Keesje eindelijk compleet. Onze Taal, 73(1), 21.

Hulshof H. (1996). Genetisch taalonderwijs in theorie en praktijk. Van Ginnekens ideeën over de relatie tussen taalkunde en taalonderwijs. In Foolen, A., & Noordegraaf, J. (Red.). De taal is kennis van de ziel. Opstellen over Jac. van Ginneken (1877-1945). Münster: Nodus Publikationen. [pp. 145-172]

Kempen, Gerard (1996). “De zwoele groei van den zinsbouw”. De wonderlijke levende grammatica van Jac. van Ginneken uit De Roman van een Kleuter (1917). Bezorgd en van een nawoord voorzien door Gerard Kempen. In Foolen, A. & Noordegraaf, J. (Red.). De taal is kennis van de ziel. Opstellen over Jac. van Ginneken (1877-1945). Münster: Nodus Publikationen. [pp. 173-216]